![]()
|
|
Toen bekend werd dat mijn vader naar Spanje zou verhuizen, vroeg hij mij een vakantiehuisje te ontwerpen op de plaats waar hij reeds een redelijk bouwvallig vakantiehuisje had staan. Omdat de verhuizing naar Torrémolinos nog een jaar op zich zou laten wachten en het echte woonhuis reeds verkocht was diende dit huisje geschikt te zijn voor een jaar full-time bewoning. Er was bovendien grote haast geboden bij het maken van een ontwerp, mijn vader belde mij namelijk op een woensdag terwijl hij 10 dagen later op zaterdag reeds een ontmoeting zou hebben met de aannemer. De volgende ochtend kreeg ik een brief met alle eisen en benodigde afmetingen.
Het huisje zou gebouwd worden in een bungalowpark in Gellick, een plaatsje net over de grens bij Maastricht. Hoewel er in België eigenlijk niet zoiets bestaat als een welstandscommissie, was het de beheerder van het park toegestaan om eisen te stellen ten aanzien van nieuw te bouwen vakantiehuisjes, teneinde de uniformiteit niet te verstoren. Kortom, het vakantiehuisje mocht maximaal 50 M² van het kavel in beslag nemen, moest een zadeldak hebben met een hoek van tenminste 30º en een nokhoogte van maximaal 3,4 M, dat bovendien slechts bedekt mocht worden met groene bitumen shingles. De buitenmuren mochten wel van een ander materiaal dan hout zijn, zolang ze maar met vuren houten planken werden bedekt. Vanwege de kleine oppervlakte van 50 M² werd het ons wel toegestaan het huisje op een kelder te bouwen zodat de totale bruto oppervlakte van het huisje 100 M² werd.
Daarnaast stelde mijn vader enkele eisen die klassiek te noemen zijn. Natuurlijk moest de trap in de hal van binnenkomst geplaatst worden, de keuken zo dicht mogelijk bij de voordeur liggen, de badkamer zo dicht mogelijk bij de slaapkamers en moesten de kinderen bij binnenkomst door de achterdeur hun voeten kunnen vegen in een extra halletje. Om de relatie met de omwonenden niet te verstoren, men komt immers voor de rust naar een vakantieadres, moesten de gevels zoveel mogelijk gebaseerd zijn op de standaard Hollandse doorzonwoning, maar toch weinig inkijk bieden. Bij binnenkomst stapt men op een bordes in de hal en ziet men de trap naar de kelder onder zich doorgaan, men kan er weliswaar niet op maar hij ligt wel in de hal. Omdat het huis zo klein is wilde ik de looproute zo lang mogelijk maken, dan lijkt het immers wat groter. hiertoe heb ik de looproutes als een spiraal langs de buitenwanden gelegd zodat deze de grootst mogelijke lengte heeft. De trap naar beneden ligt dus halverwege de spiraal. omdat een kelder niet zoveel licht krijgt heb ik het eerste gedeelte van de route ontworpen van roostervloer met een groot strokenraam op het zuiden erboven zodat het licht kan doordringen naar beneden, door de wand van glazen bouwstenen die de slaapkamers afsluit van de gang. Natuurlijk heeft dit strokenraam glas dat aan de buitenzijde spiegelend is, geaccepteerde gevelarchitectuur die weinig inkijk biedt. Aan het einde van de spiraalsgewijze route bevindt zich in de kelder een gang met daaraan de drie benodigde slaapkamers met op het einde een nooduitgang naar boven. Deze nooduitgang is volledig als een zwembad gedetailleerd, met zwembadtrap en onderwaterlamp, en er staat altijd een bodem regenwater in. Zo heeft het wat krappe vakantiehuisje toch een eigen zwembad zoals het een echt vakantiehuis betaamt. De gevel aan de noordzijde heeft de enige echte doorzonwoning-gevel: Een deur met meteen daarnaast een groot raam. Doordat er echter een hoogteverschil is tussen de ruimte die achter de deur zit (de fietsenstalling ligt op maaiveldhoogte) en de woonkamer achter het raam staat het raam hier op de grond. Verder staat de schoorsteen natuurlijk haaks op het dak en waarschijnlijk ook haaks op de ideeën van de parkbeheerder, terwijl hij hier toch de ultieme consequentie van zijn blokhutparkdroom verwezenlijkt ziet. (niet gebouwd) |
| previous | next |